donnerwetter 3

De zachte zomerregen slaat kratertjes in het wateroppervlak. Gestaag. Urenlang, dagenlang. De man in de roeiboot staart gelaten in het grijs. Ineengedoken. Zijn kraag omhoog, een groene zuidwester diep over zijn oren getrokken. Een slok uit de fles die naast hem staat verwarmt zijn klamme botten. Heel even. Nog een slok. Nog een teug. Een laatste. De lege fles valt met een doffe klap op de bodem van het bootje. Troebel zoekt hij naar de kleine rode dobber die daar ergens moet drijven. Hij moest maar eens terug. Of niet. Nog een slok. De fles is echt leeg. Een flits en een donderklap in de verte. Waar komt dat zo plots vandaan? De regen zwelt aan tot oorlogssterkte. Onhandig haalt hij de hengel aan boord. Zijn bewegingen traag en ongecontroleerd door de alcohol. Het bootje wiebelt vervaarlijk. De man gaat terug zitten. Mist het bankje. Naar zijn rug pakkend hijst hij zich omhoog. Nog zo’n donderklap. Zijn rug schrijnt. Er loopt water in zijn nek. Een roeispaan glijdt overboord. De man grijpt. Ernaast. Uit evenwicht.

Hij blijft nu wel heel lang weg. Vissen. Nog nooit heeft ie ook maar een brasempje mee naar huis genomen. Natte kleren, zijn modderpoten in de gang. Hij had ook gewoon een hond kunnen nemen. Ze heeft het nooit begrepen. Die hang om alleen aan de waterkant te gaan zitten. Of in een bootje. Dat verdomde bootje. Lekker makkelijk. Niets meer te zeggen. Mijnheer vertrekt met zijn verdomde viskist en laat haar achter met de kinderen. Alleen. De kinderen spelen in de kantine. Droog. Alles in de tent is klam en koud. Vier dagen al regent het onophoudelijk. Het boek dat ze leest kan haar aandacht niet vasthouden. Een traan biggelt over haar wang. Ze trekt haar voeten onder zich in de stoel en rilt. In de kantine is het warm. In de kantine zijn haar kinderen. Iedereen is in de kantine. Ze kan het niet. Niet na gisteren. Wat haalt ie zich toch in zijn hoofd. Met zijn vette pens en zijn kalende kruin. Denkt hij nou werkelijk dat zo’n meisje iets in hem ziet? Dat zijn slappe praatjes indruk maken? Dat ze hem iets anders te bieden heeft dan een strak lijf? Alsof zij wel eeuwig jong zal blijven. Ze zal echt niet op hem blijven wachten, terwijl hij zich zit te bezatten aan de waterkant. De vrouw staat op en tuurt door het beregende plastic venster. Boven het meer een bliksemflits. In de verte rolt de donder. Ze krimpt ineen. Als hij nou maar terugkomt. Niet op het water blijft terwijl het onweert. Ze weet hoe bang hij is voor onweer. Onverklaarbaar, niet passend, panische angst. Net goed. Blijf maar naar je dobber staren. Naar je ondermaatse visjes. Je vangt toch niets met dat slappe hengeltje van je. Ze draait zich om en kruipt in de slaaptent onder de slaapzak. De kou in de luchtmatras trekt door haar rillende lichaam.

De vrouw schrikt wakker wanneer de rits van de tent open gaat. Traag en moeizaam door het zware natte doek. Duf kijkt ze om zich heen. Hoort de rits weer dichtgaan. Druppend staat hij daar. Hulpeloos, hopeloos, waardeloos. De angst in zijn ogen te lezen. Verzopen, verregend, verloren. Ze zet hem de zuidwester af, veegt het natte haar uit zijn ogen. Legt haar hoofd tegen zijn doorweekte torso. Onhandig slaat hij een natte arm om haar heen.

 

Vakvrouw en vriendin Yoeke Nagel (www.yoeke.com) twitterde de volgende schrijftip: ‘Zet je hoofdpersoon in een bootje op het meer. Laat dan een enorm onweer losbarsten. Schrijf wat ze doet.’ Deze maand probeer ik iedere woensdag aan haar vraag te voldoen. Benieuwd naar het vervolg? Klik hier.

2 comments
  1. ah, fijn, dat wisselende perspectief.
    was de maand juli maar langer
    dan kon het nog vaker onweren
    dan vier keer
    yoeke

  2. Ja er zit een patroon in ik kijk uit naar het volgende deel lekker spannend en zich afvragend waar gaat dat verder naartoe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *